“Meer dan helft kinderen met diagnose astma heeft geen astma”

Vorige week meldde NU.nl dat “zeker 53 procent van de kinderen met de diagnose astma in werkelijkheid geen astma heeft”. Dit zou blijken uit onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

Review door: redactie
Link naar nieuwsbericht: klik hier
Link naar originele bron: klik hier


Wat is er op te maken uit de titel?

Meer dan de helft van de kinderen met de diagnose astma heeft in werkelijkheid geen astma. Is de diagnose fout gesteld, hebben deze kinderen een andere ziekte of is er iets anders aan de hand? En hebben dokters hier een fout gemaakt?
Uit de inleiding van het nieuwsbericht blijkt dat bij 53 procent van de kinderen tussen de zes en achttien jaar de diagnose astma zelfs “foutief gesteld” zou zijn.

Waar komt dit nieuwsbericht vandaan?

Het nieuwsbericht is gebaseerd op onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. De Utrechtse onderzoekers bestudeerden gegevens van in totaal 652 kinderen tussen de zes en achttien jaar die de afgelopen jaren in een van de vier deelnemende huisartspraktijken waren geweest. 546 kinderen hadden volgens het patiëntendossier de diagnose astma gekregen. 106 kinderen hadden niet deze diagnose, maar hadden wel een astmabehandeling gehad. Deze kinderen werden daarom ook meegenomen in het onderzoek.
De onderzoekers deelden de kinderen vervolgens in volgens vier categorieën:

  1. ‘Bevestigd astma’
    De onderzoekers beschouwden de diagnose astma als bevestigd wanneer dit met een zogeheten longfunctietest was bewezen. Dit bleek bij 105 kinderen het geval.
  2. ‘Waarschijnlijk astma’
    De diagnose astma werd ‘waarschijnlijk’ genoemd als lichamelijk onderzoek tijdens een astma-aanval had plaatsgevonden en eerdere klachten suggestief waren voor astma. Ook behoorden kinderen die minstens driemaal per jaar astmamedicatie nodig hadden tot deze categorie. Uiteindelijk bleken 151 kinderen in deze categorie te vallen.
  3. ‘Waarschijnlijk geen astma’
    Kinderen die geen astma-aanval hadden gehad of minder dan driemaal per jaar astmamedicatie nodig hadden werden ingedeeld in deze categorie. Dit waren in totaal 391 kinderen, waarvan 344 kinderen volgens het dossier de diagnose astma hadden gekregen. De andere 47 hadden niet de diagnose astma, maar wel astmamedicatie gebruikt.
  4. ‘Geen astma’
    De onderzoekers plaatsten 5 kinderen in deze categorie, omdat een longfunctietest aantoonde dat er geen sprake was van astma.

De onderzoekers beschouwden kinderen die volgens het dossier wel de diagnose astma hadden gekregen en vervolgens in categorie 3 of 4 vielen als ‘overdiagnose’: de diagnose astma stond dan wel in het patiëntendossier, maar was niet waarschijnlijk. Dit waren 349 kinderen (344+5). Dit is de 53% van de totaal 652 en daarmee het percentage dat in het nieuwsbericht wordt vermeld.

Is dit echt iets nieuws?

Belangrijk om de resultaten van het onderzoek te beoordelen is dat astma bij kinderen in Nederland voornamelijk wordt gediagnosticeerd op basis van waarschijnlijkheid (‘waarschijnlijkheidsdiagnose’). Op basis van de aanwezigheid van bepaalde symptomen, bevindingen bij lichamelijk onderzoek en effect van astmamedicatie kan een arts bepalen of het meer of minder waarschijnlijk is dat een kind astma heeft (de arts zegt dus eigenlijk niet “je hebt astma”, maar eerder ”je hebt waarschijnlijk astma”). Volgens de huisartsenstandaard Astma bij kinderen is het bij deze kinderen, in tegenstelling tot wat de onderzoekers in hun artikel stellen, niet per se nodig een longfunctietest te doen om de diagnose te bevestigen. Immers, het is al voldoende waarschijnlijk dat het kind astma heeft. Kinderartsen hanteren ook deze diagnose op basis van klachten (‘klinische diagnose’) en adviseren alleen bij “een onzekere diagnose een longfunctietest te doen”.
Ook is belangrijk te vermelden dat de onderzoekers hebben gekeken naar kinderen waarbij de huisarts de diagnose astma heeft aangeklikt in het dossier. Dit aanklikken van een diagnose is verplicht voor de dossiervoering, maar het betekent niet direct dat de huisarts daarbij tegen het kind heeft gezegd: “Je hebt astma.” Het kan best zijn dat de huisarts heeft gezegd: “Ik overweeg de diagnose astma”, waarbij deze daar later afhankelijk van het verdere verloop van de klachten op terug zou kunnen komen. Dit kan uiteindelijk leiden tot wat de onderzoekers ‘overdiagnose’ noemen. Het lijkt echter voorbarig om te stellen dat artsen bij al deze kinderen “te snel conclusies trekken” en “de diagnose foutief stellen”.

Wat kunnen we hier nu concreet mee?

Het nieuwsbericht suggereert dat meer dan de helft van de kinderen met de diagnose astma in werkelijkheid geen astma heeft. Dit vermoeden blijkt voor een deel ontstaan doordat huisartsen de diagnose astma stellen op basis van klachten, terwijl de onderzoekers de diagnose pas bevestigd vinden na een longfunctietest. Zij stellen dat kinderen die ‘waarschijnlijk’ astma hebben altijd een longfunctietest moeten ondergaan, terwijl deze test volgens verschillende Nederlandse richtlijnen niet nodig is om een al waarschijnlijke diagnose astma te bevestigen.
Een andere verklaring voor de ‘overdiagnose’ is dat huisartsen die de diagnose astma overwegen, dit soms voorbarig vastleggen in het dossier. Het is de vraag of de arts daarbij ook daadwerkelijk tegen het kind heeft gezegd: “Je hebt astma.”
Omdat astma in de huisartspraktijk een waarschijnlijkheidsdiagnose is, zal er meestal een zekere mate van onzekerheid zijn omtrent deze diagnose. Bij twijfel aan de diagnose kan een longfunctietest de diagnose meer of minder waarschijnlijk maken.