“Ouderen die reuk verliezen hebben grotere kans op vroegtijdige dood”

Vorige week berichtte NU.nl over een onderzoek waaruit zou blijken dat ouderen die hun reukvermogen kwijtraken een grotere kans hebben op een ‘vroegtijdige dood’. Het bericht komt voort uit een onderzoek dat in februari gepubliceerd werd in een Amerikaans wetenschappelijk tijdschrift.

Review door: Annemiek Silven,  coassistent, VUmc Amsterdam
Link naar nieuwsbericht: klik hier
Link naar originele bron: klik hier


Wat is er op te maken uit de titel?

De titel van het nieuwsbericht doet vermoeden dat het verliezen van reuk op oudere leeftijd de kans om ‘vroegtijdig’ dood te gaan verhoogt. Volgens de inleiding van het bericht zou dit “het bewijs versterken dat door het reukorgaan te beoordelen er een accuraat beeld kan worden geschetst van de gezondheid van het brein.”
Is onze reuk echt zo’n goede weerspiegeling van de gezondheid van onze hersenen? En wat verklaart dan die ‘vroegtijdige dood’?

Waar komt dit nieuwsbericht vandaan?

Reuk ontstaat doordat geurstoffen boven in de neus worden opgepikt en via speciale zenuwcellen in de hersenen terechtkomen. In de hersenen worden geuren geregistreerd en kan er een gevoel of betekenis aan verbonden worden.

Verlies van reuk komt vaak voor: uit verschillende onderzoeken blijkt dat 37% tot 70% van alle ouderen een verminderd reukvermogen heeft, van jongere mensen heeft ongeveer 5% tot 15% hier last van. Verlies van reuk kan vele verschillende oorzaken hebben, zoals verstopping of ontsteking van de neus, of roken. Echter, ook van sommige hersenziekten, zoals de ziekte van Alzheimer en de ziekte van Parkinson, is bekend dat deze gepaard kunnen gaan met verminderde reuk. Bij deze ziekten is verlies van reuk soms een eerste uiting van de ziekte. Zweedse onderzoekers wilden nagaan of mensen met een verminderde reuk een hogere kans hebben op overlijden, doordat zij dementie krijgen.

Voor het onderzoek werden ruim 1700 Zweedse mensen tussen veertig en negentig jaar tien jaar lang gevolgd. De deelnemers aan het onderzoek werd gevraagd hun vermogen om zwakke geuren te ruiken aan te geven. Ook moesten zij een test doen om geuren te onderscheiden en te herkennen. De onderzoekers hielden vervolgens tien jaar lang verschillende gegevens bij, waaronder het optreden van dementie en overlijden.

Het bleek dat mensen met een vrijwel volledig verlies van reuk een 19% hogere kans hadden om te overlijden, maar dat dementie hier niet de oorzaak van was. Ook een hogere leeftijd was geen verklaring, want de hogere kans om binnen tien jaar te overlijden bleek ook te gelden voor jongere mensen. Wat dan wel de (mogelijke) oorzaak was van het eerder overlijden kunnen de onderzoekers niet verklaren. Zij geven aan dit nu verder te willen onderzoeken.

Is dit echt iets nieuws?

Een verband tussen reukverlies bij ouderen en een verhoogd risico om te overlijden is al eerder uit verschillende onderzoek naar voren gekomen. De onderzoekers geven aan dat uit hun onderzoek nu voor het eerst blijkt dat dit verband in mindere mate ook voor jongere mensen – tussen veertig en zeventig jaar – geldt.
Ook stellen zij dat uit hun onderzoek voor het eerst blijkt dat een gevoel van verminderde reuk (zoals bepaald met de vraag: “Hoe is uw vermogen om zwakke geuren te ruiken”?), verband houdt met een verhoogd risico op overlijden. De onderzoekers suggereren daarom dat het vragen naar reukverlies “extra informatie kan geven over subtiele veranderingen in reuk, die met het meten van reuk niet gevonden zouden worden”.

Wat kunnen we hier nu concreet mee?

Uit Zweeds onderzoek blijkt dat mensen tussen de veertig en negentig jaar oud met verminderde reuk, een grotere kans hebben om binnen tien jaar te overlijden dan mensen zonder dit reukverlies. Deze grotere kans op overlijden wordt niet verklaard doordat mensen met verminderde reuk vaker dementie zouden krijgen. Wat hier wel de (mogelijke) oorzaak van is, blijft echter nog onduidelijk.
Verlies van reuk kan vele verschillende – ook onschuldige – oorzaken hebben. Mensen die het gevoel hebben dat hun reuk vermindert, kunnen dit bespreken met hun huisarts.